woensdag 21 februari 2018

Index jonggestorven dichters binnen het Nederlands taalgebied op sterftejaar (20e & 21e eeuw)

1901      Johannes van Hoof 1871-1901

1902      Dirk Jelles Troelstra 1870-1902

1903      Petrus Adrianus Groman Jr 1876-1903

1908      Huibrecht Haenen 1873-1908
               Jan Samuel van Drooge 1889-1908
               Hans Koldewijn 1887-1908

1909      Omer Karel de Laey 1876-1909

1910      Alexander Gutteling 1884-1910

1913      J Philip van Goethem 1885-1913

1914      MB Ledegouwer 1895-1914

1915      Emile Polak 1889-1915

1916      Johannes van ’t Lindenhout 1893-1916
               Thora Rietbergen 1883-1916

1917      Frans van Raemdonck 1897-1917
               Stanne Serneels 1884-1917
               Constant Henri Frederic Wolfson 1894-1917

1918      Emiel Delrue 1887-1918
               Koos van Rijckevorsel 1896-1918
               Léo Somerhausen 1894-1918
               Juul de Winde 1893-1918

1919      Jozef Arras 1890-1919
               Johannes Bordewijk 1883-1919

1920      Johan Gustaaf Danser 1893-1920

1922      Pyt van der Burg 1893-1922

1923      Maurits Heeman 1906-1923

1926      Gerard Brunning 1898-1926

1927      Frans Harmen Kiveron 1894-1927

1928      Remco ter Laan 1896-1928
               Paul van Ostaijen 1896-1928

1930      Jeanne van Putte 1907-1930
               Ernst Allister Schlengemann 1904-1930

1931      Floris Couteele 1897-1931

1934      Piter Akkerman 1910-1934

1936      Pieter van Renssen 1902-1936

1937      Hanna de Roodt 1916-1937

1938      Martin Bernard Frenkel 1904-1938        
               Alfons Walschap 1903-1938

1939      Marcel Martens 1908-1939
               Bob Stempels 1915-1939
               Will Wemerman 1913-1939

1940      Jacob Hiegentlich 1907-1940
               Henrico Rossieau 1918-1940
               Lodewijk van Borsel 1914-1940

1941      AJL van Zomeren 1920-1941

1942      Hans Julius Ainstein 1929-1942
               Thea Citroen 1921-1942
               Jaap Sickenga 1918-1942            

1943      Emile v/d Borch van Verwolde 1910-1943
               Mari Bosland 1924-1945
               Krijn Martinus Breur 1917-1943
               Izaak Bueno de Mesquita 1916-1943
               Jan Eisenga 1908-1943
               Leo Herman Frijda 1923-1943
               Reina Prinsen Geerligs 1922-1943
               Nyckle Haisma 1907-1943
               Henri Halberstadt 1911-1943
               Tom Koreman 1915-1943
               Marten B Osinga 1913-1943
               Petrus Antonius Martinus Pooters 1911-1943
               Johan Schimmel 1919-1943
               Dolf Snijders 1920-1943

1944      Bastiaan Jan Ader 1909-1944
               Eugene Alphonse Georges van den Boorn 1911-1944
               Jaap van Domselaer 1923-1944
               Rogier Godderis 1920-1944
               Nico Henny Lindeman 1910-1944
               Karel August Pekelharing 1909-1944
               Hans Presseisen 1921-1944
               Andre Roelof Scholten  1910-1944
               Ben Sikken 1921-1944

1945      Kamiel van Baelen 1915-1945
               Robbert Cijfer 1919-1945
               Johan Eskens 1924-1945
               Anne Frank 1929-1945
               Antonius Henricus Frankenmolen 1915-1945
               Ronny Heilbut 1919-1945
               David Koker 1921-1945
               Gretchen Koning 1917-1945
               Pieter Adriaan Willem Laseur 1921-1945
               Robert Mussche 1912-1945
               Frieda Ringk 1909-1945
               Otto Cornelis Tichelaar 1918-1945
               Kamiel Top 1923-1945
               Vincent Weyand 1921-1945

1946      Riet Raaphorst 1919-1946
               Berend Buntjer 1925-1946

1947      Berend Breman 1921-1947
               JMW Scheltema 1921-1947
               Fideel Verbruggen 1921-1947

1948      Niek Verhaagen 1915-1948

1949      Gerard Goudriaan 1919-1949
               Jozef Nijs 1925-1949

1950      Hans Lodeizen 1924-1950

1951      Max Jelle de Jong 1917-1951
               Leon van Kelpenaar 1930-1951

1957      Marcel van Gestel  1932-1957

1959      Rudi Kappel 1926-1959

1963      Hans van Sweeden 1939-1963

1964      Ida Sipora 1935- 1964

1965      Ingrid Jonker 1933-1965

1968      Godelieve Moenssens 1939-1968
               Joan Helen Zeguers 1945-1968

1969      Tytsy Wijngaarden 1943-1969

1971      Jan de Roek 1941-1971
               Milou Mulders 1951-1971

1973      Arie Hondorp 1952-1973
               Mark Verhaert 1954-1973

1976      Lodewijk Otto Huisinga 1958-1976

1977      Pé Hawinkels 1942-1977
               Jotie ’t Hooft 1956-1977
               Fred de Swert 1945-1977

1978      Jan Emiel Daele 1942-1978
               Roger Serras 1942-1978

1979      Marcel Anckaert 1945-1979

1980      Rudy Meeuws 1955-1980

1981      Jean Marie Halsberghe 1957-1981

1983      Pieter Claassens 1949-1983
               Eline van Haren 1953-1983

1985      Norma Pater 1960-1985

1987      Nico Slothouwer 1956-1987

1989      Gaugurica Graas 1955-1989

1993      Floortje Peneder 1977-1993

1994      Jos A Leenders 1961-1994

1999      Adriaan Lakerveld 1976-1999
               Hannatje Schreck 1964-1999
               René Robert Kastelein 1965-1999

2000      Homme Arend Piest 1965-2000

2004      Martijn van der Klooster 1971-2004

2005      Ester Klein Hesselink 1994-2005
               Carel Schouten 1975-2005

2006      Jeroen Mettes 1978-2006

2007      Xenia Goderis 1987-2007

2010      Max Gortzak 1984-2010
               Maarten Quaijtaal 1982-2010

2012      Robert Prijs 1987-2012

2013      Neeltje van Beveren 1977-2013
               Thomas Blondeau 1978-2013
               Martijn Teerlinck 1987-2013

woensdag 26 november 2014

kort dag gedicht 26 : Nico Slothouwer (1956-1987)


De man en zijn tas

Zijn tas is van het soort om mee naar school te gaan;
hij kocht hem laat, de leerplicht al verzaakt.
Hij kocht hem om te worden heengezonden met een ideaal,
dienstwillig diplomaat te zijn van wat hij miste.

Zo ziet men hem op straat: een man met dichtgeknoopte jas,
de tas waarvan de inhoud steeds wordt uitgedeeld, uiteengezet.
Zijn leven is vermoedelijk geslaagd; het diepst geheim ervan
is immers algemeen en openbaar gebleven.

© Nico Slothouwer - uit gelijknamige bundel 1985

vrijdag 7 november 2014

kort dag gedicht 25 : Alex. Gutteling (1884-1910)

 
 
Mijn dromen
 
I
 
De dagen die ik blijde of droef doorleefde
Leven een vreemder leven in mijn ziel,
Diep in me een wondre droomenschijn omviel
Wat weende in 't nuchtre licht of lachend streefde:
 
Gelijk een wereld die in zee verzonken
Haar marmren zuilen en begroeide pleinen
Herleven ziet, zoodat in daglichtschijnen
Haar torens nooit zoo schoon, wondervol blonken;
 
En door het donkre woud in blauwgroen duister
Schichten de gouden monsters, waar de schare
Van koopliên kleurig konkelde en rumoerde
 
Wassen de purpren wieren in den luister
Van 't mysterieuse zilvren licht, er waren
Poliepen waar een knaap zijn bruid ontvoerde.
 
 
II
 
Mijn ziel is als een zee in vroege stonden.
Zij wacht het morgenlicht dat door zal breken
En door koralentwijgen blondend leken
Op de goud-schemerend bemoste gronden.
 
Waar de gewassen donker zich doorwonden
Is het nog nacht, maar in de ruime streken
Zie 't weemlend water zilverig verbleeken....
De visschen wachten stil, met open monden,
 
En straks, als de eerste goudstraal breekt, gaan ze allen
Omhoog in flonkerende duizendtallen
Metalig blauw en goud en zilverblank,
 
En de zeevrouwen gaan in bleeke scharen
Door 't weeke licht dat om haar zijden haren
Glanzend, droomerig streelt haar leden rank.
 
 
III
 
Mijn zangen zijn gelijk de schelpen kleurig
Teedere boden van dat wondre land,
Een wandlaar vindt ze op 't schuimbesprenkeld zand
Tusschen de wieren, wonderlijk, zilt-geurig.
 
En hij verbeeldt zich, als hij droomenrijk,
De schoone werelden in diepe zeeën:
Zoo uit mijn zang duizenderlei ideeën
Die weeldrig bloeien, schoon, maar zonder blijk.
 
En andren die de bonte schelpen vinden
Vermaken zich ermee zonder te denken
En trappen ze eindlijk uit verveling stuk;
 
Zoo allen, die in zang den zin niet minden,
Niet zagen werelden daarachter wenken:
Onuitgesproken treurnis en geluk.
 
 
IV
 
Kom nu waar in begroeiden grottenschemer
De schoone Koningin dier wereld woont,
Op een bont kleed van anemonen troont
Omweefd door 't schoonste en vreemdste wiergewemel.
 
Bij de ingang stroomt als uit een maanlichthemel
Bleek-zilvren gloed: 't zijn paarlen die zoo schoon 't
Gewelf verlichten, en hun glans vertoont
De Fee dier oorden op haar marmerschemel.
 
De weeke bloemen wassen uit den steen
En vatten haar ivorig lijf in kleuren,
Haar amberkleurig haar valt zacht en lang....
 
Weemoedig en hartstochtlijk als geween
Dringt door de zwoele lucht vol zoete geuren
Der stille dropplen melodieuze zang.
 
V
 
Toovrige fee van zwoel-zinlijke droomen
Zijt ge ook niet tevens als in kathedralen
Madonnabeeld, waar stof-weemlende stralen
In stillen nis het kuisch gewaad omstroomen?
 
Waar de geloovigen vol eerbied komen
En ik, uw priester, daags wel duizend malen
't Gebogen lijf deemoedig neer doe dalen,
Kussend van uw gewaad de marmren zoomen.
 
Als de orgeltoon zwelt als een verre donder,
Maar vol hel-hooge heerlijke geluiden,
Stem ik den zang aan voor uw hoog altaar,
  
Terwijl gij de armen - o genadig wonder! -
Schijnt in het zilvrig zonlicht uit te spreiden
Naar mij die in verrukking doodstil staar.
 
VI
 
Laat mij mijn droomen: in de Maartsche dagen
Als 't komend voorjaar aarzelt, en de regen
Rivieren maakt van weilanden en wegen,
Houden zij uit mijn ziel de norsche vlagen.
 
O als mijn oogen geen geheimen zagen:
Wondren van droomen wenkend allerwegen,
Een gouden hemel vol van zonnezegen,
Wat zou ik schreien, wanhopen en klagen!
 
En als mijn zangen wild of droevig klinken
Met ongeduld of hartstocht in hun woorden....
Vrees niet: wie zingt is 't lijden al voorbij.
 
't Lied is als donderslagen die eerst zinken
Nadat de bliksemschicht gevaarvol boorde:
 Zoo is het hart dat zingt reeds tranen-vrij.
 
 
VII
 
Aan Ed. Karsen.
 
Geen werklijkheid is wellicht even schoon
Als wat men droomt, en zeker krijgt geen uur
Zijn glans vanzelf: enkel het droomenvuur
Herschept een aardsch huis tot een godenwoon.
 
Gelijk in 't dal de flonkerende kroon
Der bergen blinkt en noodt om daar te zijn:
In dien wit schitterenden ijswoestijn....
Maar wie dan stijgen om dat heerlijk loon
 
Vinden eindlooze kale vlakten, ruw -
 Schonkige rotsen, vreeslijke eenzaamheid,
 Wilde sneeuwstormen, en een oord des doods....
 
Terwijl beneden droomt in luchten luw
Starend naar verre heilge heerlijkheid
De dichter voor die bergen blank en grootsch.
 
 
VIII
 
Ik wil mijn droomen tot een toren bouwen
Van blank ivoor, met roode en gouden lijnen
Zal ik in 't wit de fabelen doen schijnen
Dat ieder zoo mijn leven kan doorschouwen.
 
De vredige pastoralen en de gaarden
Met vreemd-vervlochten bloemen, en de afgronden
Van dood en vlammengloed, met juichemonden
De englen in schitterende rei geschaarde;
 
En 's nachts, wanneer mijn Teeken op de rotsen
In 't maanlicht blinkt boven de woelige zeeën
En een schip nadert van een vreemde kust,
 
Schijnt het den stuurman boven 't golveklotsen
Neergedaalde Godin van hemelreeën
Zoete verkondigster van liefde en lust.

zaterdag 1 november 2014

kort dag gedicht 24: Albertine Kehrer (1826-1852)



Wat niet is uit te staan

Geur van ingemaakte kropsla:
Rijmend proza; slappe thee;
Vorken met een haringsmaakje
Op een uitgezocht diner;

Een bon mot, dat, niet begrepen,
Uitleg of herhaling eist;
Van uw goed te zijn verstoken,
Als gij voor genoegen reist;

In de kerk, in Januari,
Bij abuis uw stoof niet warm;
Als gij worsten denkt te stoppen,
Heel veel gaten in de darm;

Met de steel van 't armenzakje
Tikken op uw beste hoed;
En - een hand, die niet gedrukt wordt,
Zo trouwhartig als gij 't doet;

Door een lamme declamatie
Echte poëzij misvormd;
Door de Torenstraat te moeten
Met een paraplu als 't stormt;

Weggesleept in luistrende aandacht
Door een sprekers dichtervuur,
Tot de werkelijkheid ontwaken,
Door het geeuwen van uw buur.

Wijde, veel te wijde duimen
In Privat's, zo pas gekocht;
Op 't restant van 't feest van gister
Morgen u te zien verzocht;

Bij 't met ernst en eerbied uiten
Van een naam geliefd, beroemd,
Uw naiëf te horen vragen,
'Ei, wie is 't, die gij daar noemt?'
 
Complimenten aan te horen,
Niet verdiend en niet gemeend;
En – een vingerhoed met gaatjes
Dien gij van een kennis leent;
 
‘t Carillon des maandagsochtends,
Vrijdagmorgens bovendien,
Ingesteld in oude dagen,
Tot vermaak van ‘k weet niet wien;
 
Naaiwerk, thuis gestuurd, doortrokken
Met een geur van zoutevis;
Was opdoen met winterhanden,
Als het goed bevroren is;

Heren die de typen stelen
Uit het prachtwerk Nederland,
En voor zich een lofspraak oogsten,
Die behoorde aan Hildebrand;
 
Vlugge rijdsters bij Franconi,
Hupplend over vlag bij vlag;
En wier glimlach schijnt te vragen,
Of men ooit iets fraaier zag?

Harten, die niet sneller kloppen
Bij het schoon wien Neêrlands bloed!
Lippen die gesloten blijven
Waar dat lied zich horen doet;
 
Rolpens in ‘t begin van juni
Onuitspreeklijk zout en hard;
Iemand met een neusverkoudheid
Naast u zittend op ‘t concert;
 
Zonneschijn en zomerwarmte
Als gij op een stoomboot wacht;
En in ‘t eind: de lof der zotten
Openlijk u toegebracht!

woensdag 29 oktober 2014

kort dag gedicht 23 : Jeanne vande Putte (1907-1930)

 
 
Te winter toen het had gesneeuwd
 
Te winter toen het had gesneeuwd,
Wit op de zwarte kiezellaan,
Was het zoo heerlijk, zonder geluid,
Op onze rubberzolen gaan.
 
We hebben toen 't geluk beseft
Te gaan door het leven, stil en rein,
Het goede te doen, zonder gehoord,
Zonder herkend te zijn.
 
Heer, schenk ons Uw gave gebenedijd:
Om enkel aandacht van U te wenschen,
Om altijd vroolijk-berustend te zijn
In de vergetelheid der menschen.
 
Op den moeilijken weg naar U,
Hoort Gij alleen ons gaan,
Als toen we stapten over de sneeuw
Met onze rubberschoenen aan.
 
© Jeanne vande putte 1928
 

donderdag 23 oktober 2014

kort dag gedicht 22: Jacobus Jan Theodoor Scharff (1841-1869)

***

Poëzie

Gods tempel lag vernield, de liefde werd vergeten,
Het kwaad regeerde de aard met ijzersterke hand,
De deugd werd diep verguisd, het schoone ruw versmeten -
En 't donker kroost der hel boeleerde in stad en land. -

God zag die ramp en sprak met innig mededogen :
"Wien zend ik, voor mijn zaak, naar gindsche woestenij?"
Toen kwam de Poëzie naar de eeuwge troon gevlogen,
Viel in aanbidding neêr en smeekte:  "Vader, mij!" -

uit: Gedichten (1866)